| « | Februari 2012 | » | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Zo | Ma | Di | Wo | Do | Vr | Za |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||
Het schijnt dat je mensen aan kunt dragen voor een Koninklijk lintje. Het stond in de krant, dus waarschijnlijk zijn er maar weinig mensen die aangedragen worden. De oproep voor de Lintjesregen van 2012 vermeldde een uiterste inzenddatum, telefoonnummer voor inlichtingen en het feit dat het “voor zich spreekt dat hij of zij er vóór de uitreiking geen weet van heeft”.
Dan vraag ik mij direct af, wie die aanvragen dan onder ogen krijgt. Er zal iemand zijn, die door de samenleving (i.e. belastingbetalers) wordt betaald om te gaan bepalen wie er bijzonder verdienstelijk is geweest voor diezelfde samenleving, en wie niet. Die er bijvoorbeeld over na denkt of mijn buurvrouw die elke dag de was netjes ophangt, haar dochter opvoedt niet te vloeken en haar man ook nog af en toe een pleziertje bezorgt wel of niet een lintje verdient omdat ze het maatschappelijk belang heeft gediend. Maar dan vraag ik u, wie verdient er tegenwoordig geen lintje?
Het politieke debat heeft zich immers verplaatst naar het publieke domein, waar trending topics op twitter eerder de politieke agenda zullen bepalen, dan weloverwogen lezingen van ene hoogleraar die is gepromoveerd in de vorige eeuw. Alles wat van belang is, alles wat waarde heeft, dat wordt door ons gezamenlijk bepaald. Wij, studenten, wij verdienen dat lintje. Of tenminste ik toch, geëngageerd dat ik ben.
Vandaar deze oproep. Draagt u mij voor. Ik ben het. Die welopgevoede, welbespraakte student met meningen en mooie jurkjes, die zich begeeft naar de kroeg om een ieders liefdesleven te bespreken en die het zo enorm druk heeft met het schrijven van scripties en werkoverleggen in het cultuurcafé, dat er soms een sollicitatiegesprek bij in schiet.
En als ik dan mijn lintje in ontvangst neem, op Koninginnedag 2012, dan zal ik u allen memoreren in mijn spontane – ik mag immer geen weet hebben van mijn kandidaatstelling – maar toch weldoordachte toespraak. Ik zal daarom niet verzaken mijn lintje op te dragen aan u, mijn waarde broeder, mijn mede student, mijn gevierde wapendrager en bazuinschaller. Ik zal mijn adellijke onderscheiding op mijn opgeheven borst dragen, wetende dat de belastingbetaler mij, de eeuwige student, tenminste eenmaal in mijn leven, een teken van waardering zal geven.
En terecht, want die studieschuld, die zal ik geheel en al terug betalen. Beloofd.